Nieuwe taak GBIO
Subsidie scholingsinstituten op de schop
Auteurs:
Hannie Dijkhuizen-Stuurman is voormalig lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Jan Kuiper is adviseur medezeggenschap.
Door erkende instituten te subsidiëren, is de markt voor scholing voor ondernemingsraden teveel afgeschermd. Nieuwe instituten krijgen vrijwel geen toegang tot die markt, wat innovatie tegenhoudt. Uiteindelijk komt dat de kwaliteit van de medezeggenschap niet ten goede, zo menen Jan Kuiper en Hannie Stuurman. Zij willen daarom af van het huidige scholingsmodel en bepleiten een systeem waarin or’en met behulp van vouchers zelf een instituut kunnen kiezen.
Ondernemingsraden hebben scholingsrechten. En terecht. Or-leden zijn vrijwilligers die door hun lidmaatschap van een ondernemingsraad in feite een 'tweede beroep' invullen in hun organisatie. Dat je daar een beroepsopleiding voor nodig hebt, is vanzelfsprekend. De beroepseisen worden er ook niet minder op. De bestuurder verwacht van zijn raad dat hij een goede sparring partner is en de achterban verwacht communicatie(deskundigheid). De medezeggenschapswereld dringt daarom aan op professionalisering en kennisontwikkeling. Opleiden is nodig. Dat staat ook niet ter discussie. Wel vragen wij ons af of ondernemingsraden gebaat zijn bij het huidige subsidiemodel.
Erkende instituten
Scholing aan ondernemingsraden wordt tot maximaal 50% vergoed. Deze vergoeding wordt geregeld tussen het Gemeenschappelijk BegeleidingsInstituut Ondernemingsraden (GBIO) en de door het GBIO erkende instituten. Het aantal instituten is over de jaren vrij stabiel. Het GBIO schrijft in het jaarverslag 2006 over deze markt: “De voorwaarden voor erkenning die het GBIO hanteert vormen een onderdeel van de kwaliteitsbewaking; het gaat hierbij om meetbare eisen zonder protectionistische achtergrond. Eenmaal erkend is sprake van een open markt van met elkaar concurrerende instituten.” En: “Als gevolg van overnames is het aantal erkende instituten nauwelijks gestegen of gedaald; dit schommelt al jaren tussen de 25 en 30 instituten. Overzien we het werkveld, dan zijn de vijf grootste instituten (voortgekomen uit een fusie met of overname van één of meer andere instituten) samen goed voor ongeveer 60% van de GBIO-omzet. De overige, momenteel 24, instituten verdelen het resterende deel met een marktaandeel variërend van 1 tot 3%. Bezien we het aanbod van opleidingsinstituten dat zich specifiek richt op ondernemingsraden, dan opereren voor het overige op deze markt voornamelijk organisaties in de marge, uit aanpalende disciplines of kleine eenmansbedrijfjes. Alle relevante marktpartijen beschikken over een erkenning; wat rest, komt onder de huidige vereisten niet voor een GBIO-erkenning in aanmerking. Verwacht wordt dat het aantal nieuwe erkenningen de komende tijd niet explosief zal stijgen.”
kanttekeningen
Hier zijn echter wel een paar kanttekeningen bij te maken:
-
Voor een erkenning is een eis dat een instelling in de afgelopen twee jaar tenminste 250 cursusdagen heeft verzorgd. Dat lijkt niet veel, maar is wel een groot aantal als je bedenkt dat de kans dat je klandizie krijgt zònder GBIO-subsidie niet heel groot is: je prijs is immers zelden of nooit concurrerend.
-
Strikt gedefinieerd moeten scholingsinstituten onderwijs verzorgen. De meeste GBIO-instituten, zoals GITP, SBI en FNV Formaat, verrichten ook andere diensten. Of een onderneming een instituut is, bepaalt het GBIO dus.
-
“Alle relevante marktpartijen beschikken over een erkenning”, schrijft het GBIO. De definitie van relevant is hier onduidelijk. Een instituut lijkt relevant òmdat het een GBIO-erkenning heeft. Ondernemingsraden die ook buiten het GBIO-circuit trainen denken daar vaak anders over, zo is ons gebleken uit gesprekken met diverse medezeggenschappers bij onder meer Heineken en Stork. Instituten ontstaan vooral door afsplitsing of samengaan. In feite 'bewegen' GBIO-erkenningen voornamelijk steeds binnen hetzelfde circuit. Ook trainers die uit een instituut stappen blijven verbonden (via losse constructies), zodat zij kunnen blijven meeliften op de erkenning van een instituut zonder daar zelf deel van uit te maken. Een voorbeeld hiervan is Danthe, dat onderdeel is van het door het GBIO erkende instituut Tanscoop.
-
Coaching (of groepsintervisie) blijkt een dienst die groeit en ook door het GBIO gesubsidieerd kan worden. Uit het jaarverslag: “Het aandeel van de driedaagse cursussen blijft geleidelijk teruglopen; de tweedaagse staat centraal. Het aantal maatwerk-cursussen loopt voor het eerst licht terug, evenals de open inschrijving. Coaching blijft beperkt in gebruik maar is de enige vorm die groeit.” Coaching is niet zo helder omschreven, maar concurreert met het aanbod van externe organisatieadviseurs en prijst die dus uit de markt.
Vouchers
Niemand zal deze markt perfect vinden. Een perfecte markt is immers transparant, concurrerend, heeft redelijke intrede-eisen en een open prijsvorming. Ondernemingsraden worden hiervan de dupe. Het aanbod van de erkende instituten is door gebrek aan werkelijke marktwerking weinig innovatief. De trainers vergrijzen en nieuwe trainers komen in een sector die al jaren gedomineerd wordt door dezelfde waarden en normen. Er is dan ook weinig dynamiek te bespeuren. GBIO-instituten en de door hen gegeven trainingen verschillen nauwelijks van elkaar. Het ziet er aan de buitenkant allemaal roestig uit. De dominantie van vakbondsgelieerde instituten doet de sector ook geen goed. De kleurloosheid en eenvormigheid in prijzen en aanbod spreken niet aan.
De sector (bonden en GBIO voorop) weigert echter steevast zich te oriënteren op alternatieven of in gesprek te gaan met haar critici. En dat is jammer, want er zijn zoveel mogelijkheden om de sector te dynamiseren.
Daarvoor is het nodig de markt voor opleidingen vrij te maken. Wij bepleiten daarom een nieuw subsidiesysteem voor or-scholing. Nu is het zo, dat het GBIO geld krijgt via een loonheffing, dat vervolgens naar de erkende instituten gaat. Vorig jaar ging dat om 23 miljoen euro. De loonheffing kan echter ook onder ondernemingsraden verspreid worden in de vorm van vouchers. Deze vouchers worden verstrekt na ontvangst van de reglementen van een ondernemingsraad en hebben een omvang die is gerelateerd aan de omvang van de ondernemingsraad.
De ondernemingsraad realiseert zijn scholingsbehoeften geheel naar eigen inzicht. Om de voucher te verzilveren, dient hij gegevens over de opleider te verstrekken en over de inhoud van de training, een beoordeling te geven van de opleider/training, en een ondersteunende verklaring van de bestuurder te overleggen voor de gerealiseerde training.
Wij stellen ons voor dat deze check en de meting plaats kunnen vinden met behulp van internet. Dit medium zou ook kunnen dienen als marktplaats van gericht aanbod, naar het voorbeeld van www.ortrainingen.nl.
Europese subsidie
Zoals gezegd zien wij het or-werk als een beroep. Niet voor niets circuleren er bij steeds meer ondernemingsraden competentieprofielen, waarin beroepskwalificaties helder worden omschreven. Als het or-lidmaatschap wordt erkend als beroep, zal ook de weg naar Europese subsidiëring van het Europees Sociaal Fonds open zijn. Dit zou de subsidiepot aanzienlijk doen groeien. Het lijkt ons goed dan te streven naar een verdubbeling van het opleidingsbudget voor ondernemingsraden. Uitgaande van de huidige getallen, betekent dit dat er een totale pot van 92 miljoen ontstaat (23 miljoen uit de loonheffing en dus ook 23 miljoen van ondernemingen. Als dit bij elkaar 50% is, kan is een ESF-subsidie van 46 miljoen euro denkbaar). Naar schatting zijn er zo’n 100.000 or-leden in Nederland. Dat wil dus zeggen dat elk lid een voucher van ruim 900 euro kan krijgen.
Als de geldstromen voor het opleiden van ondernemingsraden zo groeien is dat goed voor alle aanbieders van or-opleidingen. Dan profiteren niet alleen de momenteel niet gesubsidieerde instellingen mee, maar zeker ook de gevestigde instituten. Immers, autonome marktgroei is per definitie zowel goed voor de 'zitters' als voor de nieuwkomers in die markt. Bovendien zal de grotere concurrentie en transparantie een stimulans zijn om te innoveren in het cursusaanbod. Het is daarom ook goed voor ondernemingsraden, omdat zij door het grotere aanbod meer keuze krijgen bij het vinden van een opleiding die het best bij hen past. Bijkomend voordeel is dat door het grotere aanbod de prijs zal dalen. Dat betekent dat or-leden voor hetzelfde geld meer scholing kunnen volgen.
Nieuwe taken GBIO
Maar heeft het GBIO dan nog wel een taak? Jazeker, deze nieuwe manier van subsidiëren biedt juist veel mogelijkheden voor het GBIO. Want goed beschouwd is het een vreemde zaak dat het GBIO zich tot nu toe slechts richt op scholing(sinstituten). Als begeleidingsinstituut voor ondernemingsraden zou zij een veel bredere taak op zich kunnen nemen. Begeleiden van ondernemingsraden betekent in onze optiek dat de kwaliteit van de medezeggenschap bevorderd en gewaarborgd moet worden. Dat gaat verder dan scholing. Het GBIO zou daarom hét instituut moet worden voor medezeggenschap. Daarbij zou het de volgende taken op zich kunnen nemen.
-
Administratieve uitvoering
De verstrekking en uitbetaling van vouchers vergt een administratief orgaan. Daar ligt een goed perspectief voor het GBIO. Het faciliteren van de markt van vraag en aanbod is hier een logisch deel van.
-
Opleidingskennis
Bij het GBIO kan nog meer kennis ontwikkeld worden over scholingstrends en realisatie van scholingsrechten, wanneer een veel breder aanbod van scholing administratief onder het GBIO zou vallen.
-
Kennisinstituut
Onderzoek in het veld van de medezeggenschap is momenteel redelijk versnipperd. Het ministerie van SZW initieert tal van onderzoeken, die worden uitgezet bij verschillende partijen zoals universiteiten en organisatieadviseurs. Een goed voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de vier toekomstscenario’s voor de medezeggenschap, dat is uitgevoerd door het Hugo Sinzheimer Instituut en Basis & Beleid. Een dergelijk onderzoek zou ook door het GBIO gedaan kunnen worden. Dat geldt ook voor onderzoeken naar de naleving van de instellingsplicht voor ondernemingsraden en de kwaliteit van de medezeggenschap. Het GBIO zou kortom een kennisinstituut moeten worden, dat onderzoek doet naar medezeggenschap. Kennisinstituten kennen we in veel sectoren. De sector van de medezeggenschap zou er ook één moeten kunnen krijgen.
-
Lobbyinstituut
Net als het onderzoek, is ook de medezeggenschapslobby versnipperd. Vakbonden, medezeggenschapsplatforms als de Nederlandse Vereniging voor Medezeggenschap (NVMz) en het Multinationale Ondernemingsraden Overleg (MNO), en de Beroepsvereniging Voor MedezeggenschapsProfessionals (BVMP). Het zou goed voor de sector zijn als er één deskundig, ervaren en onafhankelijk instituut is, dat de medezeggenschapslobby voor haar rekening neemt.
Wordt vervolgd:
Er is contact met het GBIO over het organiseren van een ronde tafel conferentie over het onderwerp.
In het praktijkblad van oktober is een interview met Jan Kuiper te lezen
Er is veel positieve respons op dit dossier
