FD, 11 JANUARI 2011

Hongarije oogst kritiek met zijn crisisbeleid, waarbij de industrie zoveel mogelijk wordt ontzien. Die kritiek is niet onredelijk en toch word ik jaloers op de insteek die Hongarije kiest.
Ik wilde dat Nederland ook die beleidsrichting beter onderzocht.
In de afgelopen jaren ben ik als adviseur van ondernemingsraden te vaak betrokken geweest bij bedrijfssluitingen in de maakindustrie, die niet op economische gronden gebaseerd waren maar op hebberige handelsmentaliteit. Een paar procenten bruto marge door de tent hier te sluiten is een slechte impuls voor de economische toekomst van een land. Rodenstock verplaatste zijn glazenproductie naar Polen. De Groningse fabriek was verouderd, lees: er was niet of nauwelijks geïnvesteerd. Crawford in Heerhugowaard sluit zijn snelloopdeurenproductie omdat de afdeling marketing en sales liever de deuren van de concurrent verkoopt. Faber Vlagproductie in Markelo sluit zijn drukkerij omdat met productie in België beter geprofiteerd kan worden van de Belgische deeltijd WW-regeling.
Het zijn dossiers die betrokkenen bitter stemmen, maar die ook de Nederlandse samenleving te veel kosten: de sociale consequenties dragen we samen en de (maak-)kurk waarop een economie drijft wordt afgeknabbeld. Het vlotte herstel van de Duitse economie wordt ten dele toegeschreven aan de herstelkracht van de industrie. Terwijl Nederlandse ondernemers, daarin niet of nauwelijks geremd door partijen of regelgeving, achteloos marges laten prevaleren boven herstelcapaciteit.
Werk aan de winkel dus voor overheid (discriminerende industriepolitiek), ondernemingsraden (altijd nee zeggen tegen sluiten), werknemersorganisaties (sluiten sociaal duurder maken), afnemers (je vlaggen bij de Dokkumer bestellen), ondernemers (productie blijvend concurrerend houden) en aandeelhouders (volharden).
Drs. Jan Kuiper;
partner Kuiper & van de Kieft, ORganisatieadviseurs bv